2011 >> DALIA TAHA
Dalia Taha ontdekken/Dalia Taha ontdekt het theater
- Mohamed Kacimi
In 2010 werd ik door KVS uitgenodigd om een schrijfwork-shop te begeleiden in Ramallah, in de Bezette Gebieden. De reis begint altijd met Ben Gurion, de luchthaven van Tel Aviv. Ik kwam aan met een paspoort vol visa uit Jemen, uit Syrië, Egypte, Algerije, Marokko, Tunesië en toen de veiligheidsagent mij vroeg: "Wat komt u doen in Israël", had ik bijna geantwoord: "Ik ben een Algerijnse schrijver met een Frans paspoort, ik ben Franstalig maar spreek Arabisch van thuis uit, en ik ga naar de Bezette Gebieden op vraag van een Vlaams theater in Brussel om jonge Palestijnse schrijvers te overtuigen om in hun lokale Arabische spreektaal te schrijven voor theater. Dat zal de basis vormen voor een theatervoorstelling in Brussel met een gemengde ploeg van Palestijnen, Vlamingen en Franstaligen in een regie van een Vlaamse regisseur". Maar ik besefte al snel dat deze stricte waarheid te ingewikkeld zou zijn voor een Israëlische agent, en dus antwoordde ik: "Ik kom naar Israël om Jeruzalem te bezoeken". Jeruzalem is ingewikkeld maar nog altijd minder complex dan de projecten van KVS! De veiligheidsagente, een knappe Sefardische, glimlachte breed en stempelde mijn paspoort krachtig af: "Welkom in Israël!".
De workshop speelde zich af in Birzeit, een charmant dorpje in de heuvels niet ver van Ramallah, bevolkt met christenen en gezegend met een apotheker, een kapsalon, een kruidenier en zelfs een restaurant. We logeerden in een oud gebouw dat nog gediend heeft als meisjespeda voor de universiteit van Birzeit, drie verdiepingen hoog en omringd door een grote tuin. De vele kamers waren uitgerust met veldbedden, maar er waren geen lakens, geen dekens, geen verwarming, geen warm water. In onze workshop zaten Palestijnen van overal, het is te zeggen van de Westelijke Jordaanoever en 'van Binnen', zoals ze dat noemen – Palestijnen van '48, uit Israël dus, ook wel Israëlische Arabieren genoemd. Voor het grootste deel waren het romanschrijvers, journalisten of dichters. Het opzet was hen wegwijs te maken in het schrijven van theaterteksten, een manier van schrijven die zich niet vertaalt in ideeën maar in directe actie. Het moet gezegd dat deze traditie in haar kinderschoenen staat in de Arabische wereld, waar het theater blijft hangen bij een soort lange monologen die rechtstreeks aan het publiek gericht zijn.
Voor het theater schrijven betekent schoon schip maken. Het is overtreding op grote schaal. Het lastigste was de auteurs ervan te overtuigen te verzaken aan hun klassiek Arabisch, de taal van de literatuur en van de religie, en te kiezen voor de Palestijnse spreektaal die meer met haar voeten in de werkelijkheid staat, meer verankerd is in het alledaagse. Hoe moest je aan jezelf toegeven dat een mooie tekst niet meteen een goede scène opleverde? Hoe moest je de overtuiging opgeven dat schrijven inspiratie is, terwijl het toch vooral constructie is, werk, oefening, doorhaling, herhaling, in het rond tasten tot het juiste woord precies het lichaam van de speler treft. We hebben meer dan twee weken geprobeerd, gewist, geluisterd en vergeten, en uitgelegd dat het telkens opnieuw moed vraagt om de dingen terug op te pakken, om te aanvaarden dat iets niet goed is van de eerste keer maar misschien wel de derde keer, of de honderste. Met Hildegard De Vuyst en Bart Danckaert kan ik getuigen dat sommige nachten in Ramallah allesbehalve rustig verliepen.
Op het einde van de tweede week stond de jongste deelneemster voor ons om haar tekst voor te lezen die begon met We gaan neuken dat de stukken eraf vliegen. De eerste lezing in het Arabisch sloeg in als een bom, verbijsterde de hele groep, niemand begreep wat er gebeurde, vanwaar ze dat geweld haalde, die onbeschoftheid, en vooral die uitzonderlijke compactheid. Van Dalia Taha waren eerder al poëziebundels verschenen die de aandacht trokken van Mahmoud Darwish. Geboren in 1986 in Berlijn uit 2 Palestijnse ouders, studeerde ze architectuur en werkt momenteel in Ramallah.
De kracht van Dalia Taha zit voor een stuk in het gebruik van haar lokale Arabische spreektaal, maar daarnaast schrijft ze ook en vooral een taal die naar de essentie gaat. Bovendien spreekt Dalia, in tegenstelling tot ouderen, nooit openlijk over de bezetting, ze valt nooit op een frontale manier de kolonisering van haar land aan of het gevangenisregime dat Israël haar en de haren staffeloos oplegt, op het absurde af, al meer dan 60 jaar lang. Nee, ze heeft het over andere dingen: over de diepe gaten die deze bezetting slaat in de intimiteit van eenieder, de waanzin, de littekens. De bezetting is aanwezig op de achtergrond, als achterliggende reden voor deze voortdurende ontregeling van de wereld waarin haar spookachtige personages ronddwalen, zonder naam, zonder identiteit, zonder leeftijd, voor altijd zonder land. Haar schriftuur die zich situeert in de diepste intimiteit van de personages laat ons het gebrek aan perspectief voelen dat elke Palestijn dagelijks beleeft. Maar ze geeft ook een vrouwelijke weg aan die niemand in het Arabische theater bewandelt: een weg van absolute vrijheid.
Opgedragen aan Juliano Mer-Khamis, die op 4 april 2011 vermoord werd voor de deuren van zijn Freedom Theatre in Jenin en aan Francois Abu Salem, bezieler van el-Hakawati en mentor van PASS, die op 1 oktober 2011 van zijn flatgebouw in Ramallah sprong. |