Ancient souls. New myths.

Als er in de toekomst nieuwe mythen over onze geglobaliseerde wereld geschreven worden, dan is de kans groot dat ze zich in dichtbevolkte steden afspelen en niet langer in duistere wouden of onherbergzame woestijnen met eenzame helden en bovenmenselijke opdrachten. De uitdagingen van onze tijd zijn nuchterder en alledaagser geworden. Aan het begin van dit derde millennium is de condition humaine steeds afhankelijker geworden van de condition urbaine. Het overgrote deel van de mensheid woont intussen in steden. In de stad wordt de menselijke beschaving tegelijkertijd gevormd én op de proef gesteld, om de bekende formulering van de Amerikaanse stadssocioloog Lewis Mumford nogmaals te gebruiken. Met de stad staat dus meteen ook onze toekomst als mens op het spel. 

Onze multiculturele en superdiverse steden zijn de contactzones van de wereld geworden, waarin culturen en mensen die totnogtoe gescheiden waren door geografie, geschiedenis, ras, etniciteit, etc. gedwongen zijn om samen te leven in dezelfde ruimte, altijd in de context van macht en ongelijke relaties. Inwoners van eenzelfde stad delen niet langer dezelfde verhalen, dezelfde geschiedenis, dezelfde tradities, dezelfde taal, dezelfde religie. Integendeel zelfs: hoe kunnen de traumatische ervaringen van een oorlogsvluchteling uit Syrië, de pijnlijke geschiedenis van uitsluiting van een arbeidsmigrant uit Noord-Afrika en het leven van een Belg de souche nog met elkaar vergeleken worden? Wat ze delen is dezelfde ruimte. De stad. En het verlangen naar een toekomst. In die zin is de stad meer dan ooit een laboratoriumruimte. Een experiment rond het samenleven in verschil. Een experiment dat ook kan mislukken. 

Het is niet de eerste keer dat Wim Vandekeybus zichzelf in een voorstelling uiteenzet aan de hand van de dynamiek van een groep, van wat een groep bindt en wat een groep verdeelt, van wat een groep met zichzelf verzoent en welk offer daarvoor gebracht moet worden. Dat gebeurde reeds in Mockumentary of a Contemporary Saviour (2017), Menske (2007) en Puur (2006), voorstellingen waarin de angsten en verlangens, het onbewuste en het interne geweld van een gemeenschap verbeeld worden. 

Voor TrapTown nodigde Vandekeybus auteur Pieter de Buyser uit om een tekst te schrijven. De Buyser schreef een fabel met een mythische dimensie waarin de eigentijdse maatschappelijke spanningen voelbaar zijn zonder die concreet bij naam te noemen. De fabel wordt verweven met een intens spel tussen woord, beweging, beeld en klank waardoor het geheel de grilligheid, de fascinatie en de onvatbaarheid van een droom krijgt. In De onzichtbare steden maakt Italo Calvino een opmerkelijke vergelijking tussen steden en dromen: “Met steden is het als met dromen: van alles wat je je kunt voorstellen, kun je dromen maar ook de meest onverwachte droom is een rebus die een verlangen verbergt, ofwel het omgekeerde ervan, een angst. Steden, net als dromen, zijn opgebouwd uit verlangens en angsten, ook al is de draad van hun verhaal geheim, zijn hun regels absurd, de perspectieven bedrieglijk, en verbergt elke zaak een andere zaak.” Misschien is dat ook een van de betekenissen van TrapTown? Een stad waar je, zoals in een droom, in de val kan lopen? 

Vandekeybus’ choreografie - de fysieke vertaling van de spanningen tussen individuen en groepen - is de ruggengraat van de voorstelling en het koppelteken tussen de filmbeelden en de live performance. 

Voor de muziek werkt Vandekeybus samen met Trixie Whitley en Phoenician Drive. De muziek van Trixie Whitley staat in deze context voor een meer spirituele dimensie, terwijl Phoenician Drive zich muzikaal bevindt op het multiculturele kruispunt van Midden-Oosterse, Noord- Afrikaanse en Balkan tradities. In de muziek kruisen de twee belangrijkste thema’s van de voorstelling: het verlangen naar emancipatie en vrijheid en de confrontatie van culturen. 

De stad is de horizon van het menselijk bestaan. In TrapTown moet die metafoor letterlijk genomen worden. Er is niets buiten de stad. Zoals de titel al suggereert, is die horizon hier een gevangenis geworden. De stad is een gigantisch labyrint zonder uitgang. Een rebus die niet opgelost kan worden. Er is niets aan de buitenkant van het labyrint. De mensen die in de stad wonen zijn tot elkaar veroordeeld. Er is geen alternatief voor het samenleven. Er is geen alternatief voor de stad. De enige opening is naar boven, naar de lucht, naar de hemel, naar de vrijheid van de vogel. Vandekeybus ging filmen in het labyrint dat het architectenduo Gijs Van Vaerenbergh maakte voor het tienjarig bestaan van C-mine in Genk en dat zich daar nog bevindt. Ook voor de scenografie van de voorstelling deed Vandekeybus een beroep op dit duo. Ze bouwden een achterwand met verschillende platformen op verschillende hoogtes, waardoor een ingenieus spel mogelijk wordt met de daarop geprojecteerde filmbeelden, en tussen de personages in de film en de live aanwezige dansers. 

Vandekeybus speelt met tegenstellingen: verticaal/ horizontaal, hoog/laag, groot/klein, live/digitaal, ... Met die spanningen bouwt hij de woordenschat en de syntaxis van de voorstelling op. Personages springen uit het doek op het toneel en terug. Live personages spreken met personages in de film. Het verhaal mag dan over ‘grenzen’ gaan, in de vertelling ervan worden de grenzen tussen de media voortdurend overschreden in een vloeiende ritmische beweging. 

We leven in een overgangstijd. De onzekerheid en de angst die daarmee gepaard gaan, nemen op bepaalde momenten een apocalyptische toon aan. Dat gevoel ontstaat wanneer de wereld en de verhalen die we over onze wereld vertellen niet meer met elkaar corresponderen. Wat we de globalisering noemen en zijn vele effecten hebben de wereld diepgaand veranderd. Maar voor die veranderingen hebben we nog niet de juiste verhalen, laat staan dat we die verhalen al geïntegreerd hebben. 

Leven is leven met verhalen. Zonder verhalen bestaan we niet. Noch als individu, noch als groep. Ooit gaven verhalen samenhang en zin. Ze verbonden het verleden met de toekomst en gaven richting aan het heden. Ze hielden een gemeenschap samen. Ze vertelden over zijn oorsprong en zijn ontwikkeling. Ze gaven aan ieder individu een plek en aan iedere gebeurtenis een betekenis. In de verwarring van een overgangstijd kunnen we alleen verhalen over conflicten en ondergang vertellen. Het nieuwe wordt alleen maar voelbaar in het stukbreken van het oude. Met TrapTown schreven Wim Vandekeybus en Pieter De Buysser een mythisch verhaal over die overgangstijd. De stad Askeville wordt bewoond door twee ‘stammen’: de Odinese en de Mythricians. Het zijn namen die doen denken aan oude (Griekse en Noorse) mythologieën, maar het zouden evengoed namen uit een SF-roman van Ursula Le Guin kunnen zijn. De twee stammen delen een vierduizend jaar lange geschiedenis. Een geschiedenis van conflict over melk en honing waarbij de Odinese de heerschappij verwierven en de Mythricians onderdrukten en tot slaaf maakten. 

Vandekeybus en De Buysser kiezen niet voor een eigentijdse stad en voor een eigentijds verhaal van sociale, etnische en religieuze spanningen. Ze kiezen voor de afstand van de mythe en de fabel. Er was eens... lang geleden... en ver weg... of er zal eens... ooit... ergens in de toekomst... Die afstand geeft ruimte aan de verbeelding en aan meerdere interpretaties. Hoe is het conflict begonnen? Waar ging het ook weer precies om? Waar is het verschil omgeslagen in ongelijkheid en onderdrukking? En had het niet evengoed andersom kunnen zijn? Want inmiddels hebben de twee stammen zich vermengd en is er van zuiverheid misschien geen sprake meer. 
De kracht van de mythe is zijn eenvoud. Een eenvoud die zich in diepte vertaalt. Op een tijdloze diepte liggen de talloze actuele politieke, economische, sociale,... conflicten verankerd in oeroude schema’s. 

Askeville wordt geregeerd door Lars Oncré, de burgemeester. Hij is Odinese. Hij kent de geschiedenis van de stad en beseft dat er een historisch onrecht is gebeurd ten opzichte van de Mythricians. Zijn zoon Marduk, wiens moeder Mythrician is, kiest openlijk de zijde van de onderdrukten. Hij is bereid zijn eigen identiteit op te geven voor de emancipatie van de Mythricians. De vader is pragmaticus maar ook nihilist (‘No living creature has any unambiguous right. / Only death and silence are right, and only death and silence have rights.), de zoon is een universalist en een idealist (‘No justice, no peace. (...) Civil disobedience is my moral duty’). De zoon staat op tegen de vader. De nieuwe wereld tegen de oude. Het is een klassiek conflict. Een archaïsch schema. Maar in de gesprekken tussen vader en 
zoon worden ook de breuklijnen en de pijnlijke vragen van onze eigentijdse samenleving hoorbaar en zichtbaar. Hoe kunnen wij (Europeanen, westerlingen) omgaan met een geschiedenis van onderdrukking, uitsluiting en kolonisering? Hoe schuldig zijn wij aan de daden van onze voorvaderen? Hoe ver moeten we gaan in de kritiek op onze ‘witte identiteit’? Hoe kunnen we op een authentieke manier solidair zijn met de onderdrukten? 

Marduk wil zich solidair verklaren met de Mythricians, maar wordt door hen als een buitenstaander behandeld. De Odinese beschouwen hem als een verrader. Zijn dood is onvermijdelijk. Een dood die hij uiteindelijk begrijpt als een plaats maken voor de anderen in een eeuwige cyclus van komen en gaan: ‘Well, here, I’ll make space, so the wheel can keep going.’ 

Zowel de vader als de zoon hebben een dimensie die hen buiten zichzelf brengt. Marduk is verliefd op Themis, gespeeld door Trixie Whitley. Maar is zij wel een personage? Is zij niet een stem in hem? Een stem die hem oproept om keuzes te maken? De vader, op zijn beurt, transformeert op extreme momenten in een arend. Het dier en dierlijke is nooit veraf bij Vandekeybus. Als een limiet van de mens en van de keuzes die hij kan maken. De natuur is bij Vandekeybus altijd de limiet geweest waar de cultuur op stukloopt. 

Vandekeybus heeft een universum geschapen dat zijn eigen ondergang in zich meedraagt. Niet in de mogelijkheid van een totale wederzijdse vernietiging van de twee stammen. Maar in de vorm van niet te verklaren, plots opduikende gaten in het oppervlak die alles wat zich in de buurt bevindt de grond in zuigen. Het zijn de verdwijnpunten van de werkelijkheid. Dat is het uiteindelijke lot van Askeville. De stad verdwijnt. Er zijn krachten en catastrofes die zich boven iedere mensenmaat bevinden. 

 

Auteur: Erwin Jans