LONGREAD Wanna play, drarrie?

Junior Mthombeni en Sylvie Landuyt ontmoeten elkaar tijdens één van de eerste zonnige lentedagen in Brussel. Begin 2018 gaan hun voorstellingen – Drarrie in de nacht en Do You Wanna Play With Me – in première in de KVS. Terwijl ze switchen tussen Nederlands en Frans lichten ze hun plannen aan elkaar toe. Eerst nog wat aarzelend, maar al gauw enthousiast gesticulerend ontdekken ze de parallellen in elkaars werk. Als Sylvie vertelt dat de ervaring van zinloosheid centraal zal staan in haar voorstelling, net als de vraag hoe je die leegte opvult, knikt Junior bevestigend: “Dat is ook een rode draad in Drarrie in de nacht.”

Nochtans vermoed je vanop een afstand misschien niet meteen veel gelijkenissen tussen beide producties. Junior vertaalt de succesroman Drarrie in de nacht van zijn kompaan Fikry El Azzouzi naar het podium. Junior: “Het is het verhaal van vier verloren jongeren die niet goed weten wat ze moeten doen met hun leven. Ze voelen zich vervreemd van de maatschappij. Ayoub – één van de vier jongens – vertelt vanuit een meta-standpunt hoe ze steeds verder afglijden en het verkeerde pad opgaan. Gestaag ontwikkelt er zich een tragedie.”

Sylvie liet zich op haar beurt inspireren door Tsjechovs De Meeuw om een familieverhaal te vertellen waarin sociale media en internetporno de relaties op scherp stellen. Waar de jongeren in Juniors stuk ‘s nachts op straat rondhangen, sluiten ze zich bij Sylvie net als hun ouders op in een virtuele wereld vol expliciete taal en beelden. “Ik schets een beeld van een moeder, een dochter en een zoon. De moeder is verslaafd aan internet en schuimt datingsites af. Haar introverte tienerdochter spiegelt zich aan haar en ontpopt zich online tot een bijna wellustig seksueel wezen vol zelfvertrouwen. De jongen op zijn beurt begint de mannen van zijn moeder te haten en verliest zichzelf in gewelddadige games waarin hij de moord op haar minnaars simuleert. Je zou kunnen zeggen dat hij een soort van Jihadist wordt die zijn moeder wil zuiveren van wat ze doet.”

Op basis van dat gegeven zou je kunnen denken dat jouw voorstelling bestaat uit een vrij klassiek verhaal over een eenoudergezin. Alleen geef je op een veel abstractere manier vorm aan jouw personages, niet?

Sylvie: “Dat klopt. De derde generatie in het stuk is een AI, een artificial intelligence. De vierde rol vormt een mengeling van de verlangens van de drie. Dat abstracte komt voort uit het feit dat ik liever niet werk met personages, maar met beelden en archetypes. Als ik schrijf, gaat het me meer om klanken dan om lineair afgewerkte figuren. Ik maak ‘postdrama’ waarbij de woorden en zinnen onderling door de acteurs ingewisseld kunnen worden. Dat betekent ook dat de overtuigingen en handelingen van de personages inwisselbaar zijn. Als de zoon de minnaars van zijn moeder wil doden, dan is dat evengoed iets dat door de dochter overgenomen kan worden.”

“Tijdens de voorstelling wil ik dat de sociale media ook op scène via projecties aanwezig zijn. Het publiek moet online kunnen reageren en liken. Het mag zelfs een documentair karakter krijgen waarbij we zoekgeschiedenissen tonen in combinatie met getuigenissen van jongeren die ik verzamelde. Daarnaast wil ik een Japanse manga-sfeer oproepen met slechte elektromuziek, al is dat zeker niet de enige muzikale inspiratie waarmee ik aan de slag ga. Ik houd ervan om een verhaal in verschillende lagen en niveaus te vertellen. De tekst, klanken, beelden en archetypes haken op elkaar in en verwijzen naar elkaar.”

Junior: “Bij mij ligt nog niet alles vast, maar de muziek weet ik al wel. Hip hop en slam zullen de boventoon voeren en Cesar Janssens zal de beats live construeren. De nachtelijke belevenissen van de jongeren worden aparte scènes die door Ayoub worden ingeleid. Deze zomer gaan we de tekst ‘vertheateren’, zoals ik dat noem. Het wordt sowieso een meertalige voorstelling. Dat beviel me ook erg bij Malcolm X (de productie van Junior Mthombeni, Fikry el Azzouzi en Cesar Janssens die in 2016 in première ging in KVS, nvdr). Na een tijdje begon die ploeg onderling een eigen taal te spreken: heerlijk.”

Een gelijkenis tussen jullie voorstellingen is dat jullie een stem geven aan jongeren. Sylvie, jij zal dat zelfs letterlijk doen. Jouw research bestaat voor een deel uit gesprekken die je met jonge mensen aanknoopt over internet en hun omgang met seksualiteit.

Sylvie: “Het archetype van de zoon is nog niet af en ik wil hem verder bouwen op basis van wat adolescenten te vertellen hebben. Ik wil mijn werk bovendien bij hen aftoetsen om zeker te zijn dat mijn analyse klopt. Daarom richten we binnenkort workshops in waarbinnen we gedurende een week via artistieke oefeningen met jongeren ingaan op thema’s als virtuele ontmoetingen, internetporno en seksualiteitsbeleving. Ik vind het belangrijk om te weten hoe de relatie van die digital natives met het internet eruit ziet.”

“Ik ben op het onderwerp gestoten via de gesprekken die ik met jongeren had naar aanleiding van mijn voorstelling Don Juan Addiction. Ik merkte toen hoezeer ze bezig zijn met online-porno. Ze hebben soms een erg verwrongen beeld van seksualiteit. Ik heb jongens ontmoet die zeiden dat ze van een meisje hielden maar niet met haar wilden vrijen omdat seks iets vies is. Ze zijn gewend aan beelden van de meest expliciete seksuele handelingen. Ze kennen dingen waar ik nog nooit van gehoord heb (lacht). Ze praten dan ook enerzijds cru en onverschillig over seks terwijl ze anderzijds heel preuts kunnen zijn of op zoek zijn naar ware liefde. Je merkt dat ze er misschien wel heel open over chatten, maar dat ze er ‘live’ amper over kunnen communiceren. Ik vind het belangrijk dat we daar het gesprek over aangaan. Je mag zoiets niet doodzwijgen.”

Junior, jij snijdt met Drarrie ook een gevoelig onderwerp aan. Hoewel de taal van Fikry El Azzouzi lang niet zo expliciet is als wat we tijdens Sylvies voorstelling te horen zullen krijgen, vonden sommige mensen het boek Drarrie in de nacht best choquerend.

Junior: “Dat kan, maar ik snap dat eigenlijk niet goed. Naar het einde toe is het soms inderdaad wel wat gewelddadig, maar niet meer dan in de gemiddelde film. Het is zoals schrijven over hooligans. Maar misschien vind ik het zelf niet choquerend omdat het voor mij zo’n herkenbaar verhaal is. Ik heb als jonge gast ook rondgehangen op straat. Achteraf gezien had ik toen weinig nodig om de foute kant uit te gaan. In zekere zin heb ik me daaruit los kunnen rukken dankzij mijn creativiteit. Ik bekeek alles als een verhaaltje en de afstand die daardoor ontstond maakte dat er zich nieuwe perspectieven openden. Wat dat betreft herken ik mezelf wel in Ayoub.” 

“Net als Sylvie vind ik het nodig dat dit verhaal verteld wordt op het podium en dat de dingen uitgesproken worden. Ook omdat het belangrijk is dat mensen uit Molenbeek of Borgerhout zich herkennen in wat er zich op het podium afspeelt. Dat blijft één van mijn stokpaardjes. De beeldvorming in de kunsten is zo belangrijk. We hebben andere verhalen en andere kleuren nodig in de sector. We zijn daar in de kunsten veel te laat mee, terwijl wij net de voortrekkers hadden moeten zijn van die evolutie! Ik zie mezelf niet als rolmodel maar ik weet hoe belangrijk het voor mij was om als jonge gast te zien dat mensen met kleur carrière konden maken binnen de kunsten. Net zoals jongeren vandaag dankzij Malcolm X weten dat het kan. Ik vind dus dat we tegen de schenen moeten blijven schoppen. Want het is niet omdat er een gekleurde regisseur in de KVS zit, dat alles in orde is. (lacht) Ach ja, ik zal altijd én kunstenaar zijn, én activist. Dat heb ik meegekregen van mijn vader en mijn moeder. Dat zal nooit veranderen.”

Sylvie, enig maatschappelijk engagement is ook jou niet vreemd. Al neemt dit bij jou andere vormen aan dan bij Junior.

Sylvie: “Aan het begin van mijn carrière maakte ik er een zaak van om zowel met professionelen als met amateurs te werken. Ik wilde uit mijn vertrouwde bubbel breken en trok de cité in of werkte in buurthuizen. Ik zette telkens verschillende leefwerelden tegenover elkaar op scène. Ik werd bij die participatieve projecten vaker geraakt door de amateurs en hun verhalen dan door de professionals. Maar ik was toen ook kwaad op alles en iedereen, en gebruikte een methodiek waarbij ik op het podium de tegenstellingen opzocht en liet botsen. Intussen ben ik meer en meer op zoek naar een zekere harmonie in mijn voorstellingen. Maar de utopie van de ontmoeting blijft wel centraal staan voor mij. Ik wil nog altijd dat mijn voorstellingen mensen dichter bij elkaar brengen.” 

“Ik ben geboeid door de psychoanalyse en geloof dat ik door mezelf beter te leren kennen ook beter naar anderen kan leren kijken. Via mijn producties hoop ik stiekem dat mensen zichzelf herkennen in wat er zich afspeelt op het podium, dat ze zichzelf daardoor beter leren begrijpen en dus ook begripvoller worden ten aanzien van anderen. Dat is mijn wens: dat mensen met elkaar gaan praten en elkaar op die manier leren accepteren in elkaars verschillen. In Do You Wanna Play With Me vel ik dan ook bewust geen moreel oordeel. Wel wil ik via die thematiek onze maatschappij beter begrijpen. Maar goed, ik weet intussen ook wel dat het een illusie is dat je een grote maatschappelijke omwenteling kan veroorzaken via de podiumkunsten.”

Junior: “Natuurlijk is dat een illusie. Maar theater kan tegelijkertijd wel helpen om dingen bespreekbaar te maken, ze open te trekken en te normaliseren. Dat is precies wat jij gaat doen met Do You Wanna Play With Me. Als maker houd ik er zelf alleszins van het gevoel te hebben dat je bijdraagt aan verandering. Ik weet dat je de wereld niet in je eentje kan veranderen, maar ik geloof net als jij wél in bewegingen en golven waar je een steentje aan bij kan dragen.”