© Gaëtan Chekaiban

Power to the people

Vanuit zijn fascinatie voor menselijke relaties en de complexe emoties die daarmee gepaard gaan, ging Mesut Arslan aan de slag met een van de meest gespeelde klassiekers uit de twintigste eeuw, Who’s afraid of Virginia Woolf? van Edward Albee uit 1962. Stadsdramaturge Purni Morell praatte met Mesut Arslan over zijn interpretatie van het stuk dat al zovele malen door anderen werd opgevoerd en geënsceneerd. 

 

Waarom doet dit stuk je aan macht denken, Mesut? Dat ligt niet meteen voor de hand…

In elk stuk waar je aan werkt, vind je overeenkomsten met je eigen leven. In mijn geval, zonder te veel in detail te treden, ben ik zowel George als Martha geweest. Ik herken beiden in mij en heb geprobeerd te stoppen met zoals hen te zijn. Eigenlijk heb ik een paar jaar geleden een bewuste inspanning gedaan om sommige van mijn relaties - niet enkel privé maar ook vriendschappen en professionele relaties - te veranderen. En in dat proces, het proces van analyseren en nadenken over mijn relaties en waarom ze waren hoe ze waren, kwam ik tot het inzicht dat we allemaal - wij mensen, bedoel ik - iets heel merkwaardigs doen: we hebben het vermogen om een gevoel te veranderen in een waarheid waarmee we anderen straffen. Ik voel iets, ik vind het gerechtvaardigd dat ik dat voel, en op een of andere manier kan ik dat heel snel omtoveren in iets waarmee ik jou kan straffen. Een stok om je te slaan. Dat is wat er gebeurt in dit stuk.

Denk je dat dat iets is wat we allemaal doen?

Ja, weliswaar op verschillende manieren in verschillende culturen. In oosterse culturen praten mensen er bijvoorbeeld niet zo vaak over, terwijl we er in westerse culturen akkoorden over sluiten.

Je zegt dat je geïnteresseerd bent in het politieke aspect van dit soort gedrag, het verlangen om te vernielen, zo je wil. Kan je daar meer uitleg over geven?

Ik dacht aan het idee van rechtvaardiging voor het pijnigen of vernietigen van andere mensen. Zoals altijd werd ik door veel mensen beïnvloed, maar in dit geval in het bijzonder door Vilem Flusser, die in de jaren ’90 schreef over de politieke sfeer. Hij meent: iemand heeft ergens een mening over, schrijft erover en publiceert een artikel, dat ik dan mee naar huis kan nemen om erover na te denken. Stel dat ik een andere mening heb over het onderwerp, dan kan ik een tegenartikel schrijven en publiceren, en jij kan dat dan meenemen naar huis enzovoort. Op die manier vond de politieke discussie ergens in het midden plaats, tussen de hoofden van de mensen. Het was een zaak van de gemeenschap, het gebeurde in de publieke sfeer, als het ware, terwijl we nu privé-opinies heel direct tussen elkaar onderling afhandelen.

Een andere invloed is Yuval Noah Harari die het heeft over wat ons anders maakt dan andere biologische soorten. Harari’s punt is dat wij mensen, en dat is uitzonderlijk in het dierenrijk, efficiënt kunnen communiceren met grote groepen van vreemden, en dat we dit doen door fictie te creëren. Een zebra kan een andere zebra misschien laten weten dat er beneden bij de rivier een leeuw rondloopt en dat die plek te mijden is, maar hij kan niet al zijn zebra-vrienden overtuigen om samen te werken rond een idee, bijvoorbeeld het bestaan van God. Fictie creëren, verhalen vertellen en roddelen bedienen zich alle drie van taal, ze verbreden onze perspectieven en mogelijkheden. Woorden scheppen ruimte voor samenwerking en bondgenootschap.

Dieren kunnen enkel communiceren met een beperkt aantal individuen - laat ons zeggen, 150 soortgenoten - terwijl wij kunnen communiceren met miljoenen. Met onze verhalen proberen we andere mensen te overtuigen - bijvoorbeeld dat God ons opdraagt om kathedralen te bouwen, of geld als betaalmiddel te gebruiken, of natiestaten op te richten. Dit is ook de manier waarop we onszelf ervan overtuigen dat de meerderheid gelijk heeft, of mensen er in grote getale van kunnen overtuigen dat migranten een bedreiging vormen. Geen ander dier is daartoe in staat.

Bij de chimpansees is het alfa-mannetje niet noodzakelijk de slimste of de grootste, hij is gewoon de meest overtuigende. Bij mensen wordt dit bereikt door systemen van samenwerking. De meerderheid maakt meestal keuzes die niet overeenstemmen met de voorkeur van om het even welk individu. Kijk naar de politiek. Ik verkies misschien politicus A en jij verkiest misschien politicus B, maar we gaan akkoord om politicus C te geloven, omdat hij ons beiden aanspreekt en een goed compromis vormt.

Ik zie niet direct de link naar George en Martha en het stuk…

Omdat het over het verschil gaat tussen waarheid en overtuiging, en tussen het private en het politieke. Bekijk het zo - George en Martha zitten al jaren vast in dezelfde patronen. Ze geloven in een waarheid over zichzelf, beschuldigen elkaar van veel. Niets gebeurt echt, ze blijven gewoon vastzitten. Dan komt het jongere koppel Nick en Honey toe - plots is er een publiek. Nu wordt opeens de macht van de overtuiging belangrijk, want elk woord, elke zin dragen een betekenis en vinden een klankbord.

George en Martha’s woorden krijgen een nieuwe betekenis omdat ze aanhoord worden met frisse oren, er is plotseling iemand om te overtuigen. Niet in het minst omdat Nick en Honey zich op hetzelfde rechtlijnige parcours bevinden als Martha en George, ze zijn misschien zelfs op weg om ooit op een dag net zoals hen te worden, dus ze hebben er belang bij om overtuigd te worden. Rechtlijnig is een goed woord om hier te gebruiken, want waar het in dit stuk over gaat, is het verschil tussen het instinctieve, directe verlangen en het politieke, publieke en gerepresenteerde, wat zoveel is als het instinctieve dat lineair wordt gemaakt.

Leg uit.

Ik denk dat elke gedachte een politisering is van een instinct. Een gedachte is een instinct of gevoel dat gepolitiseerd is, letterlijk publiek gemaakt is voor consumptie. Iedereen opereert op beide niveaus, maar in dit stuk zien we iemand als Martha die spreekt vanuit impulsen, terwijl George nooit zijn mond opendoet zonder eerst na te denken. De beledigingen tussen hen situeren zich precies in dat strijdperk. Ze vernederen elkaar om het publieke debat te winnen, wat we ook te zien krijgen in het politieke debat. En dat wordt zoveel interessanter eens er iemand naar hen luistert.

Je gebruikt een koor van stemmen in deze productie… kan je mij vertellen hoe dat het idee versterkt?

Als maker zie je dat er op elk moment ontelbare mogelijkheden zijn om een zin te zeggen of een idee te horen, ook al worden ze elke dag herhaald. Dat is wat er in de repetities gebeurt.  Als één moment duizend verschillende mogelijke interpretaties heeft, welke kies ik dan als maker? Ik heb ervoor gekozen om de vier hoofdspelers te omringen door twaalf stemacteurs. Dat zijn spelers die de woorden van de protagonisten herhalen, kracht bij zetten, overstemmen of doen verstommen. Net zoals je ook kan zien in het maatschappelijke debat waarbij de woorden van de ene veel bijklank krijgen door media en volgers, terwijl de andere amper gehoord wordt. Concreet: Soms staan er drie stemacteurs achter elk ‘personage’, op een ander moment staan er misschien elf achter Honey en maar een achter Nick, elf tegen één. Nick wordt op die manier monddood gemaakt.

Het is een metafoor voor de meerderheid.

Ja, precies. En natuurlijk klinkt de meerderheid luider. Het is ook een metafoor voor de media, omdat we via de media onze informatie krijgen, bemiddelde informatie. Elk moment is gepolitiseerd niet enkel doordat het in gedachten omgezet wordt, maar ook doordat het op een veelheid van manieren voorgesteld wordt. En ook het publiek krijgt een actieve rol toebedeeld. Voor het binnengaan in de zaal, mag je je eigen stoel kiezen. Vervolgens kan je die plaatsen in de zaal waar je maar wilt. Je kan dus echt in het midden van het speelveld gaan zitten, tussen de acteurs in. Of je kan ervoor kiezen om het spektakel vanuit de kant van een bepaald personage te beleven, of gewoon aan de zijlijn gaan zitten. Tijdens de voorstelling kan je ook altijd beslissen om je stoel op te pakken en ergens anders te gaan zitten. Wat mij interesseert, is om aan het publiek te vragen waar het voor kiest. Op eenzelfde moment kunnen ze kiezen tussen veel verschillende mogelijkheden, tussen veel verschillende manieren van denken. En de keuze die dan gemaakt wordt, die zal politiek zijn.

En wat als je niet kan horen wat de ander zegt?

Je moet zelf beslissen wat je daaraan gaat doen. Je kan gaan rechtstaan en je stoel verplaatsen om dichter te komen bij iemand die je niet goed hoort. Het is natuurlijk een metafoor voor hoe we reageren op de politiek in de huidige tijd. In plaats van te zeggen: “Ik hoorde niet goed wat ze zeiden,” kan je je kont opheffen en in beweging komen. Interessant ook om weten is dat George en Martha refereren naar George en Martha Washington. De grondleggers van The American Dream.

Je wil ons vragen om het heft terug in handen te nemen.

Ik wil de macht terug aan de mensen geven, ja.