Wie zoekt, die vindt

A Room of His Own

AVONDPROGRAMMA

A Room Of His Own is een zinderende satire over pornografie, macht en de regulering van seksualiteit. Centraal staat Andrea Dworkin, de radicale feministe die in de jaren 70 fel ageerde tegen porno. In deze duistere, sensuele en komische trip duiken we in haar tegenstrijdigheden.

Vanuit haar bed neemt een fictieve Dworkin ons mee op een slapeloze nacht. Langs decadente droombeelden, de naoorlogse belofte van seksuele vrijheid en de echo van haar strijd in onze tijd.

Met Up Your Ass gooide de jonge theatermaakster en regisseur Nona Demey Gallagher al hoge ogen op Het TheaterFestival 2024, waar haar werk werd omschreven als een ‘rock-and-roll rollercoaster’.


In A Room Of His Own tuimelt de iconische anti-pornofeministe Andrea Dworkin tijdens een koortsachtige droom in de helse wereld van pornografie. Overspoeld door hallucinaties, wordt Dworkin als een Alice in Wonderland-figuur meegesleurd in een mentale en morele trip en ontmoet ze enkele historische sleutelfiguren. Zo kruist ze het pad van de Franse schrijver en filosoof Markies de Sade (1740-1814), berucht voor zijn gewelddadige pornografische werken, waarin hij vanuit een libertijnse visie stelde dat moraal de inherent sadistische natuur van de mens beknot. Ook Playboy-oprichter Hugh Hefner (1926-2017) verschijnt als moderne duivel ten tonele. De modieuze bachelor en ‘vrijheidsdenker’ die porno transformeerde van een taboe tot een cultureel product dat diep in onze westerse mainstream-media en samenleving doordrong. In een tuin die tegelijk fungeert als kinderlijk speelparadijs en een dreigend nachtelijk oord ontvouwt zich een landschap waarin mannelijke jagers op zoek gaan naar hun volgende prooi.

The female childish Playboy bunny seems to have escaped from Disneyland to become the object of desire of the male visitor to the Playboy mansion.

- Paul B Preciado in Pornotopia (2019)

De voorstelling is een anachronistische vertelling waarin bijbelse taferelen verstrengelen met vroege pornofilms, en frivole rococo-elementen transformeren tot symbolen van de naoorlogse pop-cultuur. De historische, inhoudelijke en vormelijke clash zet kostuum, decor, muziek en video in om de representatie en de machtsverhoudingen van pornografie door de eeuwen heen in een nieuw daglicht te plaatsen. Op basis van de teksten van Andrea Dworkin, van Paul B Preciado en uit de feministische literatuur wordt een spanningsveld tussen discours en theatrale humor gecreëerd dat aspecten als geweld, onschuld en binariteit in onze sekscultuur scherp stelt.

In een tijd waarin pornografie overal rondom ons heen is werpt regisseur Nona Demey Gallagher met A Room Of His Own een kritische blik op de alomtegenwoordigheid van pornografie en hoe deze onze cultuur doordrenkt. Ze richt zich daarbij op de onderliggende ideologieën en wereldbeelden die pornografie aandrijven. De voorstelling stelt kritische vragen bij de erfenis van de seksuele revolutie en daagt het publiek uit om na te denken over hoe die onze blik op gender, macht en intimiteit vormgeeft. In de theaterzaal wordt de eenzaamheid van de individuele schermkijker doorbroken door de collectieve ervaring van het publiek. A Room Of His Own is daarom een uitnodiging om niet langer passieve toeschouwers van pornografie te zijn, maar om onze eigen positie binnen deze beeldcultuur in vraag te stellen.

I don’t want to be moralistic. That doesn’t interest me. I’m placing different voices side by side. I want to see what happens when those logics collide.

- Nona Demey Gallagher in Different Class



Biografie

Nona Demey Gallagher 

Nona Demey Gallagher is theatermaker, regisseur en performer. 


WIE WAS ANDREA DWORKIN?

Andrea Dworkin werd in 1946 geboren in Camden, New Jersey, in een progressief Joods gezin. Haar ouders waren uitgesproken links: haar vader was leraar en socialist, haar moeder een fervent voorstander van anticonceptie en abortus. Haar latere feminisme en activisme lijken dan ook al vroeg geworteld. Tegelijk vormt het seksuele misbruik uit haar kindertijd en latere leven een belangrijke drijfveer in haar werk en pathologiseert het haar anti-porno standpunten.

Tijdens haar studies aan Bennington College werd ze in 1965 gearresteerd tijdens een protest tegen de Vietnamoorlog. Gedurende haar detentie in de vrouwengevangenis in New York werd ze onderworpen aan een gedwongen en bijzonder hardhandig inwendig onderzoek, wat dagenlange bloedingen veroorzaakte. Dworkin bracht deze ervaring publiekelijk naar voren in de rechtbank; haar getuigenis leidde tot brede verontwaardiging, ook al volgde er geen officiële aanklacht.

Na haar studies verhuisde ze naar Amsterdam, waar ze haar eerste echtgenoot, de Provo-anarchist Cornelius Dirk de Bruin, ontmoette. Hun relatie was extreem gewelddadig. Na jaren van misbruik verliet ze hem en belandde ze in een periode van armoede, dakloosheid en sekswerk. Uiteindelijk vond ze steun bij schrijfster Ricki Abrams, die haar introduceerde in de radicaalfeministische literatuur die de basis zou vormen voor haar latere werk, waaronder Woman Hating (1972), dat ze samen schreven.

In 1972 keerde Dworkin terug naar de Verenigde Staten, waar ze haar boek publiceerde en actief werd als anti oorlogs- en anti-apartheidsactivist. Ze verwierf bekendheid met haar scherpe, polemische schrijfstijl en sloot zich aan bij radicaal-feministische bewegingen die campagne voerden tegen seksueel geweld en pornografie. Zo werd ze bovendien een spilfiguur van het anti-porno kamp tijdens de feministische sex-wars, ze leidde tal van protesten, was een veelgevraagd spreker en deed enkele pogingen om een censuurwet tegen pornografie door te voeren. De kern van haar werk en activisme is de strijd voor de vrijheid en veiligheid en tegen de dehumanisering van vrouwen. Vanuit die overtuigingen schreef ze invloedrijke werken zoals Pornography: Men Possessing Women (1981) en Intercourse (1987), waarin ze pornografie aanklaagt als een uiting van misogynie en machtsongelijkheid die de discriminatie van vrouwen in de hand werkt.

In haar privéleven leefde ze vanaf 1974 samen met auteur John Stoltenberg. Hoewel beiden zich als homoseksueel identificeerden, hadden ze een hechte en langdurige relatie. In 2005 overleed Dworkin thuis aan hartfalen, na een lange periode van ziekte.

Pornography incarnates male supremacy. It is the DNA of male dominance. Every rule of sexual abuse, every nuance of sexual sadism, every highway and byway of sexual exploitation, is encoded in it. It’s what men want us to be, think we are, make us into; how men use us; not because biologically they are men but because this is how their social power is organized.

- Andrea Dworkin in Pornography: Men Possessing Women


EEN SNELLE HISTORISCHE DUIK IN DE FEMINISTISCHE SEX WARS

De eerste protesten van de tweede feministische golf ontstonden eind jaren zestig, deels als reactie op de misogynie binnen linkse bewegingen zelf. Vanaf het midden van de jaren zeventig verschoof de focus van deze vrouwenbeweging steeds meer naar pornografie, die werd gezien als een kernmechanisme van vrouwenonderdrukking binnen het patriarchaat.

In 1976 werd in San Francisco de eerste expliciete anti-pornografische actiegroep opgericht: Women Against Violence in Pornography and Media (WAVPM). Deze organisatie verzette zich onder meer tegen peepshows, bdsm-praktijken en de verbeelding van seksueel geweld tegen vrouwen. In 1978 organiseerden zij de eerste nationale anti-porno conferentie en een protestmars, waar ook Andrea Dworkin een toespraak gaf. Enkele jaren eerder had zij al actie gevoerd tegen de vertoning van de gewelddadige film Snuff in een New Yorkse bioscoop.

De beweging zette zich vervolgens voort in New York onder de naam Women Against Porn (WAP), die onder andere rondleidingen organiseerde langs seksshops en stripclubs om bewustwording te creëren. Hun uitgangspunt was dat pornografie niet alleen een misogyne representatie van vrouwen en seksualiteit vormt, maar ook functioneert als patriarchale propaganda die (seksueel) geweld legitimeert. Pornografie werd dus niet enkel gezien als een weerspiegeling van de werkelijkheid, maar ook als een kracht die die werkelijkheid actief vormgeeft.

Een belangrijk keerpunt kwam in 1980 met de publicatie van de memoires van Linda Lovelace (geboren Boreman), waarin zij getuigde over het misbruik en geweld tijdens de productie van de succesvolle pornofilm Deep Throat (1972). Deze onthullingen werden uitgesproken tijdens de persconferentie van het boek, bijgestaan door Andrea Dworkin en Catharine MacKinnon.



Dit zette beide vrouwen aan tot het uitdenken van de Antipornography Civil Rights Ordinance, een wetsontwerp dat pornografie definieerde als een schending van de burgerrechten van vrouwen. Het zou vrouwen die schade hadden geleden door pornografie, als performer maar evengoed op indirecte wijze, in staat stellen om producenten en distributeurs juridisch aan te klagen. Hoewel het voorstel in verschillende staten weerklank vond, werd het uiteindelijk niet aangenomen. Besloten werd dat pornografie onder de bescherming van de vrijheid van meningsuiting zou vallen.

Tegelijkertijd klonken er ook kritische stemmen die zich verzetten tegen wat zij zagen als het seksueel puritanisme en het autoritaire moralisme van de anti-porno feministen, dat volgens hen een bedreiging vormde voor de vrijheid van vrouwen. Als reactie op organisaties als WAVPM werd in 1978 in San Francisco het collectief Samois opgericht, bestaande uit vrouwen uit de BDSM-gemeenschap.

In 1981 publiceerde feministe Ellen Willis haar invloedrijke essay Lust Horizons: Is the Women’s Movement Pro-Sex?, waarin ze de term ‘pro-sex feminisme’ introduceerde. Deze stroming benadrukte het belang van seksueel plezier en autonomie voor vrouwen, en verzette zich tegen wat zij beschouwden als reactionaire tendensen binnen het anti-pornofeminisme, die volgens hen aansloten bij conservatieve, rechtse ideologieën. Vanuit dit perspectief was seksuele vrijheid essentieel: vrouwen moesten het recht hebben om seks te hebben wanneer, hoe en met wie ze wilden, zonder stigma of schaamte.

De spanningen tussen beide kampen bereikten een hoogtepunt in 1982 tijdens de Barnard Sex Conference, georganiseerd door onder meer Ellen Willis, Gayle Rubin en Carole Vance. De conferentie draaide rond het belang van niet-reproductieve seksualiteit en werd al vooraf omgeven door controverse. WAP-leden, waaronder Dworkin, overspoelden Barnard College met boze brieven en telefoontjes. Onder die druk nam het college de dag voor het evenement duizenden exemplaren van Diary of a Conference on Sexuality in beslag, uit vrees om financiering te verliezen.

Hoewel de conferentie uiteindelijk doorging, werd ze begeleid door protesten van WAP-leden en groeide het conflict uit tot een breed gemediatiseerd debat. In 1984 leidde de controverse rond censuur, onder meer naar aanleiding van de Antipornography Civil Rights Ordinance van Dworkin en MacKinnon, tot de oprichting van de Feminist Anti-Censorship Taskforce (FACT).

Daarnaast zetten pro-sex feministen zich in voor de rechten van sekswerkers en benadrukten zij het belang van vrije keuze binnen dat beroep. Toch bleken beide kampen vaak blind voor de complexe realiteit van gemarginaliseerde groepen, waar sekswerk het meest voorkomt. Anti-prostitutiewetgeving trof vooral zwarte, economisch kwetsbare en LGBTQI-sekswerkers, terwijl legalisering in de praktijk vaker voordelen opleverde voor een witte, hoogopgeleide klasse.

Nona Demey Gallagher & Dina Dooreman