Wie zoekt, die vindt

DE GRIJZE ZONE VAN HET KIJKEN: EEN DIALOOG TUSSEN Moya Michael & Charlotte Bouckaert

Op een koude januaridag ontmoet ik Moya Michael en Charlotte Bouckaert in het WIELS café. We nestelen ons met onze koffie aan een tafel in een rustig hoekje. 

Moya en Charlotte, jullie werken allebei aan een nieuwe creatie voor het komende KVS-seizoen. Kunnen jullie een tipje van de sluier lichten over jullie nieuwe werk? 

Charlotte: “Zoals het meeste van mijn werk, is I Never Looked Like That ontstaan uit mijn interesse in de spanning tussen fotografie en performance. In het stuk zal ik op scène foto’s van mezelf maken en projecteren.

I Never Looked Like That

Op die manier confronteer ik zowel mezelf als het publiek met mijn ‘eerlijke’ lichaam. Terzelfdertijd is een zelfportret maken een performatieve handeling: het is een pose. Gëinspireerd door het werk van Cindy Sherman, reflecteert het stuk op de representatie van vrouwenlichamen, maar in ruimere zin is het een werk over perceptie, over kijken en in vraag stellen wat je dénkt dat je ziet.” 

Moya: “De creatie waaraan ik momenteel werk, is een bewerking van het stuk Darling, dat ik in 2013 samen met Igor Shyshko maakte. Wij ontmoetten elkaar in 1997 aan P.A.R.T.S., en sindsdien zijn onze  achtergronden constant aanwezig in onze gesprekken: we zijn even oud, maar ik groeide op in Zuid Afrika tijdens de apartheid en Igor in de nasleep van Tsjernobyl. In Darling traceerden we de politieke geschiedenis van onze landen vanaf het moment dat we geboren werden tot onze ontmoeting. We deden dit via een soundscape, die bijna een soort derde danser werd. We wilden altijd al een andere versie van ons duet maken, waarbij we performers met een verschillende achtergrond, cultuur en politieke context samenbrachten. Dus we stelden een groep dansers van een jongere generatie samen om dat idee waar te maken.”

In jullie artistieke praktijk werken jullie allebei rond de performance van het zelf, terwijl jullie ook relationaliteit onderzoeken – via de blik, de aanwezigheid of het lichaam van de ander. Hoe komen deze relaties tussen het zelf en de ander, tussen performer en publiek, aan bod in jullie werk? 

Charlotte: “Dat is een prominente vraag in deze creatie: hoe kan ik een ‘zelf’ naar voor brengen, terwijl ik ook iets over meer dan alleen mezelf zeg op scène? Ik zie mezelf niet als een performer, maar ik gebruik tools zoals tekst, geluid en beeld, om met de blik van het publiek te spelen, om hen bewust te maken van de manier waarop ze kijken, om een betekenisshift teweeg te brengen.” 

Moya: “Als danser maakt het deel uit van je opleiding om iemand anders manier van bewegen of choreografie te interpreteren. Doorheen de jaren ben ik mezelf steeds comfortabeler beginnen voelen bij improvisatie en mijn eigen lichaam te ‘bewonen’. Mijn werk raakt vaak aan thema’s zoals voorouderlijke wortels en culturele erfenis. Hoewel ik erken dat het onmogelijk is om voorouderlijke wortels te ‘performen’, speelt deze vraag altijd in m’n praktijk. Ik heb de neiging om van bij het begin van een creatie over de visuele dimensie te denken, door elementen zoals video, objecten en geluid aan te brengen, zodat ik echt een ervaring samenstel. Ik beweeg met andere woorden steeds verder weg van representatie, richting een ervaring.  Dit maakt ook dat ik op een andere manier over performance denk en over de relatie tussen het zelf en de ander, of performer en publiek. Ik ben minder geïnteresseerd in een identiteit neerzetten op het podium, en meer aangetrokken tot het idee om situaties te creëren waarin verschillende lichamen, percepties en geschiedenissen kunnen bewegen en elkaar beïnvloeden.” 

Jullie verkenden allebei de grenzen van de black box en brachten jullie performances ook naar de white cube. Kunstcriticus Claire Bishop spreekt over een ‘grijze zone’ tussen deze twee. Hoe ervaren jullie het bewegen tussen deze verschillende domeinen, en hoe beïnvloeden hun begrenzingen jullie werk?

It’s Like a Finger Pointing a Way to the Moon

Moya: “Terwijl ik meestal tracht om de grenzen tussen het publiek en de performer te doen vervagen, voelde afstand voor mijn laatste stuk (It’s Like a Finger Pointing a Way to the Moon) veiliger. In de bewerking voor het museum echter was het publiek heel dichtbij, bijna deel van het werk.

Die nabijheid voelde vreemd genoeg beter. Zo kon het publiek rondwandelen en de voorwerpen aanraken, en na de performance nog in de ruimte blijven. Dat gevoel van ‘blijven hangen’ rond de restanten van wat ze net hadden bijgewoond, vond ik echt interessant. Het opende een hele nieuwe denkwijze – letterlijk out of the box.”

Charlotte: “Binnen een black box zijn de condities nagenoeg overal dezelfde. Wanneer je in een museum optreedt, bestaat er inderdaad een soort grijze zone: je wordt geconfronteerd met verschillende codes die niet altijd even helder zijn. En hoewel dit veel nieuwe bewegings- en interactiemogelijkheden oplevert, moet je je heel goed bewust zijn van hoe mensen navigeren in de ruimte. Voor mijn laatste creatie The Photographer Left, They Told the Truth (2025), zette ik in een museum een gesloten doos met daarin een performer. Bezoekers moesten op een knop duwen en daarna verscheen er een foto van de performer op het scherm naast de doos. Ik wilde hier niet te veel uitleg op plakken, maar ik ondervond dat mensen dat toch nodig hadden. Velen merkten niet op of geloofden zelfs niet dat er een performer in de doos zat. Of ze voelden zich niet comfortabel om de interactie aan te gaan. In de black box blijft de vraag hoe ik een productieve grijze zone kan cultiveren, en mensen in mijn werelden kan ‘uitnodigen’.”

We hebben het over het situeren van het ‘zelf’ in relatie tot een bredere context gehad en het navigeren in zogenoemde grijze zones. We leven in een tijdperk waarin we steeds meer genoopt worden tot zwart-witdenken. Welke rol kunnen artistieke praktijken spelen om dit te overstijgen, en een andere zienswijze te hanteren? 

Charlotte: “Een creatie moet open genoeg zijn. Is die daarom minder politiek? Dat denk ik niet. Ik wil voor bepaalde kwesties opkomen, natuurlijk. Maar voor mij zit het hem ook in opkijken van je telefoon op de metro, in kleine dingen opmerken. Daar sta ik dan persoonlijk voor: het zoeken naar poëzie in kleine dingen, een poëtische staat van zijn creëren, een verbeelding die je anders doet kijken. Tijd nemen om te kijken.” 

Moya: “Het gaat inderdaad altijd om het kijken. Ik denk dat ik ook altijd, onder de lagen van horror en wonden, de poëzie wil vinden. Iets op een letterlijke manier benaderen voelt te gemakkelijk. Zo is zout bijvoorbeeld een terugkerend element in mijn werk, omdat het in vele Afrikaanse tradities als zuiverend en helend wordt beschouwd. Het is zeer subtiel, maar dat betekent niet dat het geen betekenis heeft. Sommige mensen zullen die betekenis gewoon niet snappen. En ik ben er niet om het jou te doen begrijpen. Maar ik kan je wel uitnodigen om ernaar te kijken.” 

Interview door Margot De Grave Loyson