Wie zoekt, die vindt

Interview: Carme Portaceli

Carme Portaceli stelt met Bovary en Anna Karenina twee literaire kleppers aan je voor. Twee vrouwen getergd door de ketens van de liefde en de maatschappij. Olivier Frégaville-Gratian d’Amore polste naar haar beweegredenen voor deze twee voorstellingen. 

U stelt twee belangrijke vrouwelijke figuren voor: Emma Bovary en Anna Karenina...
Carme Portaceli: Ze vertellen elk op hun eigen manier wat het betekent om vrouw te zijn in een maatschappij die je niet erkent. Ik ben een vrouw en, zoals zovelen, heb ik discriminatie ervaren. Deze twee heldinnen zijn krachtig, complex, tragisch. Ze zijn niet alleen slachtoffers van een systeem, maar ook spreekbuizen van een verlangen naar vrijheid, emancipatie, absolute liefde. Ze beleven geen drama’s, maar een echte menselijke tragedie.

Wat vertelt Emma Bovary voor u?
Carme Portaceli: Ze is een briljante vrouw, maar diep ongelukkig. Ze trouwt met de arts die haar vader geneest, denkend dat dát liefde is, dat ze het huis kan verlaten om voor haar vader te zorgen. Ze gelooft dat hij haar zal redden van de verveling, maar zodra ze alleen met hem is, beseft ze dat het slechts een rookgordijn is, bedacht door de maatschappij. De liefde blijft uit, het huwelijk zal haar niet bevrijden — integendeel, het sluit haar op tot aan waanzin toe. Ze probeert zich te redden via de liefde, en zoekt die hartstochtelijke liefde bij haar minnaars, omdat dat nog het meeste lijkt op de romantische boeken die ze verslindt om niet ten onder te gaan. Ze zit gevangen in een uitzichtloos levensschema en vernietigt zichzelf. Ja, ze pleegt zelfmoord, maar het is de samenleving die haar heeft gedood.

En Anna Karenina, wier lot enige gelijkenissen vertoont?
Carme Portaceli: Hun lotsbestemmingen lijken op elkaar, maar zijn ook erg verschillend. Tolstoj las Flaubert. Hij liet zich door hem inspireren. De laatste woorden van beide heldinnen zijn zelfs identiek. Maar in tegenstelling tot Emma — en dat is heel Russisch — houdt Anna echt van haar geliefde. Vronski is geen bevlieging. Ze is diep met hem verbonden, maar moet kiezen tussen hem en haar zoon. Dat verscheurt haar. “Ik heb niets behalve jou, vanaf nu,” zegt ze tegen Vronski. En de samenleving vergeeft het haar niet. Ze wordt uitgesloten, verworpen, tot wanhoop gedreven. Ook hier leidt het onvermogen om volwaardig te bestaan tot de dood.

 

(c) David Ruano 

Deze tragedies zijn verrassend modern...
Carme Portaceli: Natuurlijk. We denken dat alles veranderd is, maar dat is niet zo. Zelfs vandaag kan een vrouw die wil scheiden niet altijd zomaar vertrekken. Er is druk, dreiging, veroordeling. En soms worden ze vermoord. De sociale blik weegt nog steeds zwaar. En wanneer een vrouw verkracht of aangevallen wordt, worden nog steeds haar kleding, haar gebaren, haar houding in vraag gesteld. Men zoekt altijd de ‘ideale’ slachtoffer — en dat is altijd degene die dood is. Dat is ondraaglijk. Dat wilde ik tonen door deze negentiende-eeuwse romans te bewerken.

Hoe heeft u dat vertaald in uw regie?
Carme Portaceli: Bij Bovary wilde ik de minnaars wissen. Ze zijn afwezig. Ze hebben geen gezicht. Het draait niet om hen, maar om de relatie met Charles. Hij houdt van haar. Maar hij begrijpt niets. En dát is de tragedie: hij is aanwezig, liefdevol – en toch is hij een obstakel, een muur. Voor Emma is dat de hel. Het hele verhaal rust op dat onbegrip.

Het zijn onze zussen, onze moeders, onze vriendinnen. Wat Emma en Anna meemaken, is nog steeds wat veel vrouwen vandaag meemaken.
Carme Portaceli
(c) Danny Willems 

En voor Anna Karenina?
Carme Portaceli: Bij haar gaat het om hartstochtelijke liefde. Maar ook om verlaten worden. Ook Vronski zal er uiteindelijk niet meer zijn. Het is het verhaal van een eenzame strijd, van een vrouw die weigert haar liefde te verbergen, die haar liefde openlijk wil beleven. Ze begrijpt niet waarom ze in schaamte moet leven.

Uw bewerkingen zijn hedendaags. Waarom die keuze?
Carme Portaceli: Ik plaats deze verhalen niet in het verleden. Ze zweven in een tijdloos universum. Ze zijn er om onszelf erin te herkennen, ongeacht de tijd.

U werkte met twee verschillende gezelschappen: een Vlaams voor Bovary, een Catalaans voor Anna Karenina. Twee verschillende ervaringen?
Carme Portaceli: Een beetje, maar de methode blijft hetzelfde. Ik heb een diepe behoefte om het podium te voelen, om de acteurs uit te leggen hoe ik het zie. Dat verraste hen, want ze zijn het niet gewend dat een regisseur zo aanwezig is op scène. Dat is ongewoon in hun theatercultuur. Ik werk ondergedompeld, ik voel het podium. Ik heb dat fysieke contact nodig om te creëren.

Wat zeggen deze twee stukken volgens u?
Carme Portaceli: Dat het geen oude tragedies zijn. Het zijn onze zussen, onze moeders, onze vriendinnen. Wat Emma en Anna meemaken, is nog steeds wat veel vrouwen vandaag meemaken. Maar vooral: dat hun stemmen eindelijk gehoord moeten worden. En dat we het verhaal ons moeten toe-eigenen, want het heeft vrouwen nooit toebehoord. Zonder verhaal is er geen macht.

Interview door Olivier Frégaville-Gratian d’Amore voor L'oeil d'Olivier.