De Tuin der Onrusten
Met ‘De Tuin der Onrusten’ verkent Grace Tjang, vertrekkend vanuit haar eigen traumatische geschiedenis en de emotionele erfenis die ze meekreeg, het verhaal van alle moeders die op verscheurende wijze van hun kinderen zijn losgerukt. Het is een verwijt naar de koloniale geschiedenis die ten grondslag ligt aan dit persoonlijke trauma.
Op zoek naar oer-gevoelens zoals pijn, verdriet maar ook troost en het ultieme geluk van het samenzijn, graaft Grace Tjang in de zogenaamde “vergeten herinneringen”, waar vergeten een bewust proces wordt omdat de realiteit te ondraaglijk is om onder ogen te zien.
Aya Suzuki componeerde voor "De Tuin der Onrusten’’ een nieuwe muzikale wereld voor percussie. Ze bouwt gelaagde klanklandschappen op cyclische patronen die door haar warme, resonerende idioom - geïnspireerd op de Indonesische roots van Grace Tjang – een schaduw van gamelanmuziek meedraagt.
Als een zelfstandig personage brengt Suzuki’s muziek Grace Tjangs wereld van herinneringen en referenties tot leven. Haar muziek maakt van ‘De Tuin der Onrusten’ een helend ritueel.

Het lichaam herinnert zich
(door Robin Block)
Donker valt in de tropische nacht
PLOTS
als een oog dat sluit.
Het donker is een uitstekend uitgangspunt om ons geheugen te betreden. Een tussenruimte. Ergens tussen dromen en waken in. Je laat je ogen aan het duister wennen. Betreedt het ‘wir-woud’ van herinneringen. Kijkt of je al stampend op de grond de geest van een voorouder tevoorschijn kunt lokken. Met je lijf tast je de omvang van een ruimte af, soms behoedzaam en afwachtend, soms speels en vrijuit voor je uit schreeuwend, dan weer aandachtig luisterend naar wie of wat er antwoordt in de verte. De stem van een verloren voormoeder misschien?
De onrust, in Grace Tjangs (Grace Ellen Barkey’s) Tuin der Onrusten, is de afstand tot een dierbare. De afstand in tijd, in plek; de afstand tussen weten en niet-weten, en tussen weten en niet willen weten misschien ook. Er spoelt van alles aan in deze wonderlijke tuin: flarden poëtische tekst, oude foto’s, videobeelden en hypnotiserende klanken. Uit die wrakstukken proberen de performers iets tastbaars te reconstrueren, een weggestopte herinnering opnieuw vorm te geven.
Soms word je daarbij als toeschouwer overspoeld, soms vind je er patronen in, soms is het alsof je lucide droomt. Want dromen is, net als herinneren, een soort van reverse engineering: je begint bij wat nog vers in het geheugen ligt, wat je je nog het meest helder voor de geest kunt halen, en dan hoop je dat er gaandeweg meer beelden, eerdere indrukken, verborgen details en vergeten gebeurtenissen naar boven komen drijven. Alsof je uit het troebele zeewater een draad naar je toe trekt en wacht totdat er aan het eind iets kenbaars aan vastgehaakt zit, of tenminste een voorwerp dat je meer vertelt over hoe diep de bodem verscholen ligt. Ook hoop je dat er geen monsters tevoorschijn komen uit de golfslag.
‘Ik ben boos!’ zei het jongetje tegen de zee.
Zijn moeder gaf hem een toverdrankje om haar te vergeten.

Als kind kreeg de vader van Grace Tjang een ‘toverdrankje’ van zijn moeder. Om te vergeten dat hij bij haar zou worden weggehaald: een slok en een spreuk om de pijn van het gedwongen afscheid niet te hoeven voelen. Het is een bekend gegeven bij veel slachtoffers dat zij niet graag praten over hun trauma-ervaringen, deze liever niet openbreken; deels omdat ze de pijn en machteloosheid die dat meebrengt niet opnieuw willen ontsluiten, maar ook omdat ze hun nageslacht er niet mee willen opzadelen. Bovendien: sommigen hebben juíst overleefd vanwege hun vermogen om los te laten. Toch, de vragen die onbeantwoord blijven, spoken rond in ons systeem en zoeken goedschiks of kwaadschiks alsnog naar een uitweg, bijvoorbeeld in sprookjes.
In het geval van Grace’s vader werkte de toverdrank wonderwel. Hij deed wat hem werd opgedragen en vergat gemakkelijk. Of toch niet? De kindergeest liet los, maar het lichaam sloeg de sporen op. ‘The body keeps the score’[1], zegt psychiater en trauma-specialist Bessel van den Kolk niet voor niets. Zijn ambtsgenoot en dichter Rutger Kopland noemde depressie ooit ‘leven met een gesloten toekomst’[2]. Zouden we dan ook het omgekeerde kunnen beweren over onze pijnlijke, diep weggestopte herinneringen? Is trauma zoiets als leven met een verzegeld verleden? Want wat is trauma anders dan stilstand, een bevroren moment dat zich telkens herhaalt en zich zo steeds dieper in onze ziel boort?
Ons lichaam is een archief; we slaan er angst en pijn in op, maar ook onze liefde en verlangens. Hoe herstel je de gebroken lijn met een moeder? Hoe maakt je contact met iemand die zich buiten je invloedssfeer begeeft? Of zoek je naar een persoon die zich reeds ergens binnen in je verschuilt?
Hoe dan ook, herinneren is dus evenzeer een kwestie van belichamen, met een ‘herinneringslichaam’ dat bestaat uit oren, ogen, vingertoppen, schouders, geuren, klanken, stemmen en bewegingen. In De Tuin der Onrusten bedientGrace Tjang zich van al deze zintuigen. Ze breekt haar geheugen -en dat van haar vader- open, in een poging om de verloren band met haar voormoeder te herstellen. Soms is deze zeer nabij en tastbaar, aanraakbaar als een huid, een geur in een hals die je met kleine teugjes kunt opsnuiven, dan weer wordt ze vloeibaar en onvast, golft ze langs ons heen, stroomt ze tussen onze vingers door, verzuipt ze ons en druipt ze van ons af, om daarna weer kil en ongrijpbaar te verschijnen in een getuigenverslag of een enkel woord: ‘nothing’.
Herinneren is betoveren en onttoveren; weten en niet (willen) weten tegelijk; het spanningsveld overbruggen tussen enerzijds de geromantiseerde verhalen die je meekreeg als kind en anderzijds de taboes waar je niet naar mocht vragen. Vertellen we onze kinderen en kleinkinderen sprookjes om een pijnlijke waarheid te verhullen, of juist om een diepere betekenis die anders niet te bevatten is alsnog voelbaar te maken? Beide waarschijnlijk. Het zijn immers ook de sprookjes die blootleggen waar de blinde vlekken in onze grotere geschiedschrijving zitten en waar we als collectief in het duister tasten of expres wegkijken. In onze sprookjes schuilt het diepmenselijke verlangen om van die onvolledige veelvoud aan namen, data, plaatsen en gebeurtenissen een zinvol en invoelbaar verhaal te maken.

Maar hoe doe je dat als er bloedlijnen zijn verbroken, grenzen zijn overgestoken, en er gaten in de overlevering zijn geschoten? Omdat onze behoefte aan betekenis dikwijls groter is dan wat er concreet in de archieven is terug te vinden, riep de Amerikaanse cultuurhistorica Saidiya Hartman haar methode van critical fabulation[1] in het leven. Daarmee geeft zij als onderzoeker vorm aan haar verlangen om wat institutioneel is weggestopt alsnog naar de oppervlakte te brengen, om een stem te geven aan wie het zwijgen is opgelegd, en om een plek te geven aan degenen die zich al dan niet gedwongen in de marge van de dominante geschiedschrijving bevinden. Waar onze feitelijke kennis tekortschiet, vullen we die aan met goed onderbouwde gissingen op basis van research, en waar die hun grens hebben bereikt, putten we uit onze intuïtie en verbeeldingskracht. Dit is precies het proces dat Grace Tjang met haar voorstelling ook doorloopt.
Geschiedenis bestaat niet louter uit feiten en antwoorden. Ze is niet statisch; ze verandert met de vragen die we in het nu stellen, met hoe onze lichamen haar benaderen, met hoe we een verlangen planten en kijken wat er uit de grond tevoorschijn komt.
Grace Tjang gaat daarbij niet alleen terug de tijd in; die tijd zelf wordt ook rekbaar. Jam karet, ‘de tijd is van elastiek’, pleegt men te zeggen in Indonesië, want verstreken tijd is iets anders dan beleefde tijd; er is de afstand in meetbare kloktijd en er is vertraagde tijd op zoek naar nabijheid, naar een ontmoeting, een raakpunt. Met die rekbare tijd wordt ook de ruimte waarin de herinnering zich begeeft groter of kleiner, onoverbrugbaar of nabij. In Grace Tjangs voorstelling is herinnering een veld, een resonantie: telkens als er een toon wordt aangeslagen, trilt er ook iets mee op een andere plek in de ruimte. Dat ervaren we op indringende wijze in De Tuin der Onrusten. Net als bij Indonesische gamelanmuziek vertragen en versnellen de geluiden voortdurend. Ze herhalen zichzelf dwingend en ze vallen weer uiteen in gebroken ritmes, of een enkele galmende kreet: ‘Ibuuuuu’. Moeder.
Zodra je die moeder vastpakt, kronkelt ze weg. Zodra je haar loslaat, verbrokkelt ze in geuren, kinderstemmen, bewegingen die je niet eerder zo maakte, maar toch herkent; in golvende beelden, echo's van woorden die iemand ooit tot je sprak, geur van aarde, kleur van bladeren. Al die fragmenten bevestigen voortdurend dat er een afstand is en blijft: dat er iets uit elkaar gevallen is; dat er een diaspora heeft plaatsgevonden; dat families zijn verscheurd; dat geboorteplekken en dierbaren gedwongen zijn achtergelaten. Tegelijkertijd is er ook de troost van wat er nog wel is en van hoe er steeds weer andere aspecten tevoorschijn komen van die voormoeder. Lukt het ons om uit al die scherven haar gezicht te leggen?
Misschien is het genoeg om contact te maken. Ze zit immers al in je. Kwam je niet voort uit haar? We zijn toch van dezelfde stof gemaakt? Het is juist de onrust in De Tuin der Onrusten die de call-to-action vormt. Soms stappen we volledig in de ervaring, herleven en belichamen die, soms stappen we eruit en laten we haar onberoerd. Zo wordt de geschiedenis een choreografie; een eb en vloed van belichamen en weer loslaten, van zoeken en koesteren, verliezen, herwinnen, kwijtraken en opnieuw uitvinden. Want herinneren is ook: blijven bewegen, in een actief spel tussen wat ons gegeven is en wat we zelf toevoegen of afleggen. Uit al die zintuiglijke ervaringen stellen we uiteindelijk ons verhaal samen, en uit dat verhaal weer een mens.
The body keeps the score. Dat zeker, maar de herinneringen worden niet enkel meegezeuld in de vorm van trauma; ze worden ook gedragen door de handen van volgende generaties. Hoe moeten we anders liefhebben dan met ons lichaam? Daar zit de transformatie en groei. De toegewijde daad van het herinneren activeert een zelfhelend vermogen. Juist bij diaspora-verhalen is het de hele gemeenschap die zich veerkrachtig toont door zich onderling te verbinden. Kinderen en kleinkinderen zullen de duisternis tegemoet treden, het verleden leven inblazen en opnieuw vormgeven in het hier en nu. Hun handen grijpen in elkaar, niet slechts om elkaar staande te houden, maar om elkaar weer in beweging te brengen. We zijn niet alleen, we dragen elkaar, gelukkig maar.
- Van der Kolk, Bessel A. The body keeps the score: brain, mind, and body in the healing of trauma. Penguin Books (2015). ISBN9780143127741.
- De Revisor. Jaargang 4. Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam 1977.
- https://warwick.ac.uk/fac/arts/history/research/centres/blackstudies/venus_in_two_acts.pdf
De Tuin der Onrusten
Concept, video & decor Grace Tjang
Choreografie Grace Tjang
Muziek Aya Suzuki
Performers Sung Im Her, Aya Suzuki, Martha Gardner, Maarten Seghers & Grace Tjang
Dramaturgie Elke Janssens
Geluid Bart Aga
Licht Astrid Vansteenkiste
Productie manager Rune Floryn
Kostuums Seeligmüller
Assistentie kostuums Simon Perotti
Stage regie-assistentie Liia Kosolovska
Artistieke assistentie beeld Emma van der Put
Vertaling Anne Vanderschueren (FR) Vicky Morrison (EN) Nurhayo Santoso (ID)
Dank aan Oscar van der Put, Eka Santi Dewi en Romy Louise Lauwers
Productie Needcompany
Coproductie Perpodium, BNP Paribas Fortis Film Finance
Met steun van Tax Shelter & the Flemish authorities