Wie zoekt, die vindt

PARTICIPATIE ALS ETHOS: EEN DIALOOG TUSSEN Seppe Baeyens en Junior Mthombeni

Participatie, diversiteit, representatie: termen die vaak dienen als bewijs van een inclusief en meetbaar cultureel circuit. Maar wat betekenen ze buiten beleidsnota’s en subsidiedossiers? Voor choreograaf Seppe Baeyens en theatermaker Junior Mthombeni zijn dergelijke begrippen geen kaders, maar praktijken. Aan de start van hun nieuwe creaties voor het voorjaar van 2027 gaan ze in gesprek en delen ze hun ervaringen in een gezamenlijk reflectiemoment.

Voor Die Before You Die reisde Mthombeni naar Varanasi in India, een stad waar leven en dood constant samenkomen. “Varanasi is een plek waar mensen naartoe gaan om te sterven, en niet in negatieve zin. Dat trok me aan”, zegt hij. In de voorstelling laat hij zijn achternaam Mthombeni los, een naam die door het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime werd opgelegd. Zijn echte achternaam, Moloi, verbonden aan spirituele helers, wordt een symbool van hername en verzet. Het afsterven van een oude vorm maakt ruimte voor iets anders.

Baeyens richt zich op een andere vorm van collectiviteit: het museum. Kosmos is een creatie die zich expliciet zal verhouden tot museale ruimtes en wordt ontwikkeld in dialoog met KANAL-Centre Pompidou, het Brusselse kunstencentrum dat eind 2026 opnieuw opent. Na jaren werk binnen het theater en de publieke ruimte onderzoekt Baeyens hoe andere institutionele contexten functioneren als plekken van samenkomst, en vooral onder welke voorwaarden die samenkomst plaatsvindt.

Collectiviteit en ritualiteit

Met Kosmos onderzoekt Baeyens hoe dans in een nieuwe relatie kan staan tot beeldende kunst, en hoe het museum kan worden herontdekt als ruimte van verbinding. Centraal staat de vraag: hoe verhouden we ons tot kunst, en hoe worden wij zelf bekeken? Wanneer dans zich beweegt tussen objecten, lichamen en bezoekers, ontstaat een gedeelde ruimte voor ontmoeting.

Maar wat betekent zo’n ontmoeting eigenlijk? En wanneer krijgt ze het karakter van een ritueel? Voor Baeyens is dat geen kwestie van vorm of benoeming. “Wat een ritueel is, is op zich heel breed,” zegt hij. “Voor mij gaat het minder om een vast kader dan om een onderzoek.” Zijn vragen zijn fundamenteel en ruimtelijk: voor wie is een museum bedoeld, wie mag zich er bewegen, en onder welke voorwaarden? Het museum is geen vanzelfsprekende publieke ruimte, maar een instituut dat zich via samenzijn laat onderzoeken.

Bij Mthombeni verschuift diezelfde vraag over aanwezigheid en verantwoordelijkheid naar een andere context: niet het institutionele, maar het cultureel en historisch beladen landschap waarin hij werkt. “Ik let erop dat ik het niet exotiseer, zeker als ik werk met lokale contexten zoals Zuid-Afrika of India. Er zit een dualiteit: het trekt me enorm aan, maar ik wil het niet zomaar inzetten binnen een westerse logica. Net die spanning is interessant om te onderzoeken.”

Participatie en praktijk

Participatie doorkruist hun werk, op een andere manier dan vaak gedacht. Voor Baeyens is het geen toevoeging, maar een vertrekpunt. Parallel aan Kosmos zal er een tentoonstelling te zien zijn; daar wil hij museumbezoekers confronteren met onverwachte momenten en ontmoetingen, verspreid over het parcours. Via een modulair systeem bewegen daar diverse groepen: “Uiteindelijk komen ze allemaal samen. Aan het einde ontstaat er een soort apotheose, waarin al die modules en ideeën elkaar ontmoeten.”

©Bob Van Mol - Seppe Baeyens bij LEON

Deze manier van werken is procesmatig en inclusief: Baeyens betrekt verschillende soorten groepen en werkt samen met organisaties zoals LEON, een nomadische werkplek die dans inzet als bindmiddel. De expertise van deze partners wordt samengebracht met die van KVS en KANAL, niet om alles glad te strijken, maar om te onderzoeken hoe kennis en ervaring elkaar kunnen versterken. 

Zo worden niet alleen het publiek en de cast gemixt, maar wordt ook op organisatorisch niveau gezocht naar nieuwe vormen van samenwerking. Voor Baeyens is dit ook een persoonlijke zoektocht: “Ik woon in Molenbeek en zie te weinig mijn buurt gereflecteerd in musea of theaters. Daar klopt iets niet.”

© Stef Stessel, research Varanasi 2026 - Die Before You Die

Waar Baeyens de ruimte naar buiten opent, verdiept Mthombeni zich in een innerlijke beweging met Die Before You Die. “Ik maak vaak grotere voorstellingen, maar deze creatie gaat over naar binnen keren. Kleiner denken, niet minder, maar anders,” zegt hij.

Tegelijk zoekt hij momenten waarop het publiek een andere relatie kan aangaan met de voorstelling, een ritueel van gedeelde ervaring. “Hoe dat er precies uitziet, weet ik nog niet,” voegt hij toe, maar juist dat niet-weten schept ruimte.

De term “participatieve kunst” wordt vaak ingezet bij sociaal-artistiek werk, alsof het om een aparte categorie gaat. Voor Baeyens wringt dat onderscheid. “Betrokkenheid is eigenlijk de basis van elk kunstwerk,” zegt hij. “Wat er gebeurt wanneer mensen die normaal moeilijk toegang hebben tot theater of dans daar wel deel van worden, is bijzonder waardevol. Dat laat zich moeilijk meten, maar de impact is reëel.”

“Betrokkenheid is eigenlijk de basis van elk kunstwerk.” – Seppe Baeyens 

Voor Mthombeni is participatie onlosmakelijk verbonden met wie hij is. “Ik kom eigenlijk niet uit de theaterwereld,” legt hij uit. “Toen ik begon, voelde het enorm wit en gesloten — geen plek waar ik vanzelf thuishoorde. De mensen met wie ik werk, en altijd al heb gewerkt, zijn gewoon getalenteerd, maar komen niet uit de doorsnee kunstwereld. Het gaat erom dat hun verhalen kunnen klinken.”

Baeyens en Mthombeni merken dat structurele ongelijkheid de mogelijkheden nog steeds beperkt. Wie aan de top staat, bepaalt wie zichtbaar wordt. “Soms hoor ik nog wel eens dat het lijkt alsof je vandaag tot een bepaalde minderheidsgroep moet behoren om ergens binnen te geraken. Dat is onzin,” zegt Mthombeni. “Als je kijkt naar de programmaties in cultuurcentra, zijn die nog steeds weinig divers. In grootsteden zie je meer beweging, maar het gaat verder dan af en toe één maker toevoegen met een andere achtergrond. Het verhaal van de organisatie zelf moet veranderen.”

Brussel als vruchtbare bodem

De stedelijke context van Brussel versterkt die benadering, zegt Baeyens. “De rijkdom van makers, podia en initiatieven maakt van Brussel een vruchtbare bodem. Zo’n concentratie van talent en activiteit vind je zelden elders.” Mthombeni voegt daaraan toe: “Brussel heeft nog een groot rock-‘n-rollgehalte. Je kan hier durven experimenteren, net wat meer dan in Vlaanderen.”

“Brussel heeft nog een groot rock-‘n-rollgehalte. Je kan hier durven experimenteren, net wat meer dan in Vlaanderen.” – Junior Mthombeni 

Vier jaar geleden werkten de twee Brusselse makers al eens samen tijdens een KVS-ateliersummerschool, en dat klikte meteen. “Dat werkte heel fijn,” zegt Baeyens. “Ik voelde toen al dat het goed zat.” Stel dat ze ooit samen iets zouden creëren, dan lijkt dat vanzelfsprekend goed te kunnen werken. “Eerlijk? Ik denk dat dat super zou klikken. Seppe is ook iemand die veel geeft, lijkt mij,” zegt Mthombeni. “Ik werk heel horizontaal, dus co-creaties zijn voor mij altijd interessant: het delen van expertise en verantwoordelijkheden. In die zin hou ik enorm van Juniors aanpak,” voegt Baeyens toe.

Tot slot blijft één inzicht overeind: het label participatief mag nooit functioneren als reductie of hiërarchisch label dat werk minderwaardig maakt. Het is geen niche of label dat werk reduceert tot een aparte categorie. Het is een houding: een manier om aanwezig te zijn en ruimte te delen, voorbij hokjes en termen, waarin gedeelde ervaring, wederkerigheid en structurele verandering centraal staan.

Interview door Aïcha Mouhamou